Turquoise werd al 7000 jaar geleden gewaardeerd als edelsteen. De naam komt van "pierre turqoise", Turkse steen, omdat via Turkije de edelsteen uit het vroegere Perzië naar Europa kwam. Turquoise is een koperfosfaat . De kleur variëert van hemelsblauw to blauwgroen tot groen. Vaak vertoont het donkere adertjes en insluitsels van pyriet en calciet. Turqoise kan vrij poreus zijn. Daarom kan het geïmpregneerd worden met kunsthars om het harder te maken. Ook kan het gebeitst worden. Turquoise kan verkleuren van blauw naar groen en is gevoelig voor chemicaliën. Belangrijke vindplaatsen nu zijn New Mexico, Colorado en Nevada.
Toermalijn dankt zijn naam aan een Sinhalees woord voor "steen met gemengde kleuren", bedacht door de Hollandse zeevaarders die deze edelsteen in het begin van de 18e eeuw meenamen uit Sri Lanka. Mineralogisch zijn er meer dan 10 soorten toermalijn op basis van kleine verschillen in de chemische samenstelling. Karaktersitiek zijn de prismatische kristallen met 3- à 6-hoekige doorsnee, die soms in de lengte, soms in de dwarsrichting zones van verschillende kleur hebben. Verder staan ze bekend voor de insluitsels, zogenaamd trichieten, draderige vloeistofinsluitsels. Toermalijn wordt wel de gekristalliseerde kaleidoscoop genoemd: van alle edelstenen heeft toermalijn ongetwijfeld de grootste verscheidenheid in kleuren. Voor sommige kleuren worden aparte benamingen gebruikt. De meeste toermalijnkristallen worden aangetroffen in pegmatietaders, de mooiste in de pockets in die aders. Vindplaatsen zijn onder andere Minas Gerais (Brazilië), vele Afrikaanse landen en Afghanistan.